Bij Kleurenjacht staat er een kleur op het scherm; een kleuter zoekt er buiten iets van en fotografeert het. De app meet de kleur in de tablet zelf — geen AI, geen internet, en de foto wordt na het meten weggegooid. Er hoeft geen woord voor gelezen te worden.
Vind je dezelfde soort nog eens, dan staan je twee foto's naast elkaar met de tijd ertussen — en in juli en augustus is er een zomerstand: vijf dingen die er nú zijn, zonder klas en zonder iets om in te halen.
En elke tegel zegt vooraf of er geluid bij nodig is. Wie aangeeft geluid niet goed te horen, ziet die onderdelen niet meer — met een regel erbij welke het waren. Geen nepversie met een plaatje van een geluid: eerlijk zeggen wat iets nodig heeft, is beter dan doen alsof.
Verlaat een kind de school, dan gaat de verzameling mee: alle eigen kaarten in één bestand, met de foto's erbij. Een kopie — er wordt niets gewist. Zonder klascode, schoolnaam of vindplaats erin.
Zat de herkenning ernaast, dan mag een kind dat later alsnog rechtzetten — niet alleen in de seconden na de scan. Je ontdekt het immers thuis, of de volgende dag in de klas. De foto en de punten blijven staan, de oude naam wordt bewaard, en “ik weet het niet zeker” is een geldig antwoord.
Wat de app over veiligheid zegt, komt uit de soortengids die een mens heeft nagekeken — niet uit de AI. Dat werkt twee kanten op: de gids waarschuwt waar hij iets weet ("prikt", "niet opeten", "hou afstand"), en hij zet een vals alarm uit waar hij weet dat het meevalt. Een zweefvlieg lijkt op een wesp, maar steekt nooit — en dan hoort er geen waarschuwing te staan. Sinds eind augustus staan ook de twee soorten in de gids waar in Nederland het vaakst voor gewaarschuwd wordt: de reuzenberenklauw en de eikenprocessierups. Ze krijgen bewust niet dezelfde tekst — sap dat met zonlicht blaren geeft vraagt "niet vastpakken", brandharen die door de lucht komen vragen "hou afstand". De gewone berenklauw staat er daarom naast: anders zou "berenklauw" op een kaart stilzwijgend de gevaarlijke soort worden.
Met Mijn natuurjaar ziet een kind hoe zijn eigen jaar liep: twaalf maanden met wat er die maand bij kwam. Het tijdstip stond al bij elke kaart, dus er wordt niets extra's opgeslagen. Datzelfde jaar past ook op één poster voor boven het bureau — het eerste vel uit deze app dat niet voor een volwassene is. Alleen de naam die het kind zelf invulde staat erop: geen klas, geen plaats, geen foto.
Naast die kalender staat sinds september Mijn ontdekkingsreis: niet wat een kind in oktober vond, maar welke momenten telden — de dag van de allereerste vondst, de eerste soort uit een nieuwe diergroep, de eerste zeldzame kaart, de vijftigste soort. Eén doorlopend pad, op volgorde van gebeuren. Ook dit wordt volledig afgeleid uit de kaarten die er al zijn: geen tweede administratie, geen extra gegeven over het kind. En de app belooft er niets bij over wat er nog komt behalve een aantal — of je een zeldzame kaart vindt, hangt van de natuur af en niet van ons.
Er staat er nog één naast die geen woord lezen vraagt: Tel mee — vijf minuten buiten, één grote knop, tellen wat je ziet. Geen soortnamen, geen score, en de app oordeelt nooit over de plek waar een kind staat.
Sinds september is er een tweede kleuterspel: Waar woon ik? — één dier of plant, drie grote knoppen met een plek, en de vraag wordt voorgelezen. Elk antwoord komt uit een zin in onze gids; zit een kind ernaast, dan hoort het waar de soort wél hoort, nooit waar hij niet zou wonen — dat weet de app namelijk niet.
En Tel de ganzen: ganzen in de wei één voor één aantikken — bij elke tik zegt de app het volgende telwoord — en dan zeggen hoeveel het er waren. Zit je ernaast, dan telt de app hardop met je mee.
En Zet het dier op zijn plek: op, in, onder, naast of tussen? Het dier landt waar je tikt, en elke plek komt uit een zin in onze gids — de egel onder de heg, de mol onder het gras.
Deze drie staan samen met Tel mee en Kleurenjacht bovenaan de spellenlijst, onder de kop “Voor de kleinsten” — grote tegels, en een knop die de namen voorleest. Een kind van vier hoeft dus niets te lezen om te beginnen.
Voor de bovenbouw kwamen er drie bij: Groter of kleiner? (vier soorten op volgorde van maat — echt rekenwerk, op de maten die in onze gids met de hand zijn nagekeken), Van ei tot vlinder (de levensstadia op volgorde) en Wanneer zie je mij? (in welk seizoen zie je deze soort).
Er staan er twee naast: Oorwacht, waarin je aan een echte opname hoort welke vogel er zingt, en De Stille Vijf — een paar minuten stilzitten en daarna aanvinken wat je hoorde.
Sinds september heeft de herfst zijn eigen sfeer op het startscherm. Dat had niets met tekenwerk te maken en alles met de gids: de app laat elke dag zien wat je in dít seizoen kunt vinden, en daarvoor waren er in de herfst te weinig soorten om een maand lang te wisselen. Er staan er nu vijf bij — vier paddenstoelen en een libel — allemaal met een bron die zegt wanneer je ze ziet. Een school die het seizoensthema niet wil, zet het uit in het beheerpaneel.
Diezelfde week kreeg de winter dezelfde behandeling, en dat was het seizoen waar het het hardst nodig was: in januari liet de app elke dag dezelfde vier soorten zien. Er staan er nu negen — de keep bij de vetbol, het nonnetje op een grote plas, de kleine zwaan op nat grasland, de rotgans langs de Noordzeekust en een paddenstoel die juist midden in de winter op stronken groeit. Daarmee heeft élk seizoen genoeg soorten om een maand lang te wisselen, en werkt Wanneer zie je mij? het hele jaar rond in plaats van drie kwart ervan.
En sinds september heeft de herfst ook zijn eigen spel: Hoe kom jij de winter door? Elk dier moet iets verzinnen vóór het koud wordt, en ze verzinnen allemaal iets anders — de egel gaat slapen, de gierzwaluw vertrekt naar Afrika, de kolgans komt juist híérheen, de gaai begraaft eikels, de dagpauwoog kruipt een schuur in en de koolmees blijft gewoon. Zes antwoorden op één vraag, en onder elk antwoord staat de zin die het zegt, mét de bron: onze eigen nagekeken gids, of Wikipedia met de pagina en de datum erbij. Wie twee dingen tegelijk doet, doet niet mee: van de atalanta trekt maar een déél naar het zuiden, en bij de merel reizen er in oktober noordelijke merels door ons land. Een kind dat “blijft hier” tikt bij de merel heeft dan geen ongelijk — en een spel dat “Bijna” zegt tegen een goed antwoord, leert het verkeerde.
In dezelfde week kreeg de herfst er ook inhoud bij. De kruisspin stond nog niet in de gids terwijl hij dé herfstsoort van elke schooltuin is: zijn wielweb hangt tussen twee takken en zijn web gaat maar één dag mee. En van drie paddenstoelen die de gids al kende — de reuzenbovist, de inktzwam en het judasoor — is opgezocht wánneer je ze ziet, zodat ze meedoen in “Wat kun je nú zien?”. Daarmee gaat de herfst van negen naar twaalf soorten: in oktober krijgt een kind een maand lang wisselende tips in plaats van elke dag dezelfde.
Er staat nu ook een tweede herfstspel naast: De grote trektocht. Een kind helpt een dier zijn reis afleggen — en die reizen gaan twee kanten op, want dat is de helft van het verhaal: in oktober vertrekken de zwaluwen en de ooievaar naar Afrika, terwijl de kolgans en de kleine zwaan juist híérheen komen. Elke etappe heeft een nagekeken bron, en waar die ontbreekt staat er gewoon geen etappe: een kaart vol verzonnen pleisterplaatsen ziet er net zo betrouwbaar uit als de rest van deze app. De mooiste vraag komt uit zo'n bron: de ooievaar kán niet dwars over de Middellandse Zee, want boven open water is te weinig thermiek — hij vliegt om via de Straat van Gibraltar. Twee soorten kwamen er speciaal voor bij: de boerenzwaluw (met zijn geluid, dus ook in Oorwacht) en de paling, die zich voortplant in de Sargassozee bij de Cariben — iets wat nog nooit iemand heeft gezien.
En op het startscherm staat sinds september een natuurweerstation: het kind kijkt naar buiten en tikt zelf zon, regen, wind of kou aan — en ziet dan wat je bíj dat weer kunt vinden. Na regen de regenworm en de naaktslak, bij zon de hagedissen en de honingbij, met wind de zaden die vliegen. Er komt geen weerdienst aan te pas en er wordt geen locatie gebruikt, en dat is geen uitgeklede versie: een weer-API vraag je het weer óp een plek, en die plek is het kind. Alles wat er daarna staat komt uit de nagekeken gids, met de zin erbij die het zegt.
En er is een zoekspel bij: Camouflagekampioen. Zoek de hazelworm tussen de bladeren, de snoek tussen de waterplanten, de zandhagedis tussen de heidestruikjes. Geen klok en geen strafgeluid — wie ernaast tikt leest “nog niet, kijk nog eens goed” en zoekt door. Na het vinden staat er wát de bron zegt over zijn kleur en zijn gedrag, en verder niets: de conclusie — daarom zie je hem dus niet — trekt het kind zelf. Bij twee soorten mag die conclusie er wél staan, want dan zegt de bron het zelf: van de gewone pad (“een onopvallende kleur en wordt overdag zelden aangetroffen”) en van de hazelworm (“hazelwormen laten zich zelden zien”).
Nieuw is ook Natuurpost: een kaartje sturen naar een klasgenoot, met een kaart uit je eigen verzameling en een groet uit een vaste lijst — “kijk eens wat ik vond!”. Er zit bewust geen tekstveld op: wat een kind bij een ander kind op het scherm zet, hoort niet vrij te typen te zijn. Er gaat geen foto mee, alleen de soort en het beeld uit de gids; de ontvanger krijgt de soort niet in zijn eigen verzameling, want die heeft hem niet gezien; en er zit geen beloning op. Post gaat alleen binnen de klas, en na een week ruimt het zichzelf op.
En er is De natuurdokter, in de kijkversie: een kind dat iets vreemds ziet aan een plant of een dier tikt aan wát het ziet — vlekken, gaten, wit pluis, kleine beestjes, hangt slap — en waar, op hoeveel plekken en sinds wanneer. De app schrijft daar een verslag van in de eigen woorden van het kind, en zegt er bewust niet bij wat het is of waardoor het komt: dat staat nergens in onze nagekeken gids, en een gok ziet er op een scherm net zo betrouwbaar uit als een feit. De volgende stap is altijd kijken, vergelijken of aan de juf vragen; bij een dier bovendien: blijf op afstand. Een week later nog eens kijken geeft een vergelijking — meer plekken, minder, iets nieuws — zonder oordeel.
En er is nu ook De Dierensleutel: determineren zónder de AI. Een kind dat een dier ziet maar er geen foto van kan maken — het kruipt weg, het zit te hoog, de tablet blijft in de klas — beantwoordt een paar vragen over wat het ZÍET. Hoeveel poten? Wat voor huid? Waar zag je het? Na drie of vier vragen staat er bij welke van de tien hoofdgroepen het dier hoort, met het kenmerk erbij uit dezelfde indeling in tien hoofdgroepen die de rest van de app ook gebruikt. Het antwoord is bewust de groep en niet de soort: welk zoogdier het precies is, kun je aan die vragen niet zien, en dat zegt het scherm er ook bij. Twijfelen mag: bij elke vraag staat “ik twijfel”, en dat geeft geen antwoord maar een kijk-tip. Er gaat geen enkel verzoek het internet op, er wordt niets bewaard, en het kost niets — het werkt dus ook midden in een bos zonder bereik. En hij zit ook in het printbare lespakket van groep 5-6 en 7-8, met dezelfde vragen en dezelfde groepen: zo kan een klas zonder tablets naar buiten. Bij elke groep staan bovendien een paar soorten uit onze gids met hun vind-tip erbij, zodat het kind meteen weet wát het in die groep kan gaan zoeken.
Voor de klas die rupsen op de vensterbank heeft, kikkerdril in een emmer of een eikel in een pot, is er het groeidagboek: elke dag kijken en aantikken welk stadium je ziet en wat het doet. Het dagboek telt de dagen — “dag 1: rups, dag 9: pop, van rups naar pop: 8 dagen” — en zegt er bewust niet bij hoe lang het hóórt te duren, want dat verschilt per soort en per bak. De volgorde van de stadia komt uit de groeiketens in onze nagekeken gids; wat er gebeurt, ziet het kind zelf.
Allebei staan ze ook op papier in het printbare lespakket voor de leerkracht: een kijkblad met hokjes om aan te kruisen wat je ziet, en een dagboekblad met veertien lege dagregels. Dezelfde vragen en dezelfde stadia als op het scherm, letterlijk — papier en scherm zeggen nooit twee verschillende dingen. Nieuw daarbij: memory-kaartjes om te printen — tien paren op één vel, tegen elkaar aan gelegd zodat je elke lijn maar één keer knipt.
En een opdracht van de juf kan nu ook een foto van je werk worden: een tekening, een knutsel, de dikste boom van het plein. Het kind levert hem in bij de leerkracht, die reageert met een korte zin — en het kind bewaart alles in zijn eigen portfolio. Vóórdat een foto de tablet verlaat, kijkt de app na of er geen gezicht op staat; is dat niet zeker, dan gaat hij niet weg. Aan het eind van het schooljaar wordt alles vanzelf opgeruimd.
En de app schaalt nu mee met het scherm. Op een telefoon verandert er niets, maar op een tablet — staand of liggend — vult het scherm zich met inhoud in plaats van met een smalle kolom in het midden: de tegels op het startscherm en de spellen staan in twee kolommen, en de scanknop blijft over de volle breedte. Zonder trucs die op een goedkope schooltablet haperen; gewoon een breder raster.
Voor de leerkracht is er De Natuurkrant bijgekomen: een klaskrant voor op het digibord over wat de klas déze week vond. Het bijzondere zit ook hier in wat er niet gebeurt — er wordt geen letter geschreven. Elk stukje volgt volledig uit wat de app toch al telde: de week in getallen, de soort van de week, wat er nieuw was voor de klas, en één weetje dat letterlijk uit de nagekeken soortengids komt. Wat niet te tellen valt, staat er niet. En al zijn de vondsten van kínderen: er staat geen enkele naam in de krant. Zijn twee soorten even vaak gevonden, dan kiest de app ook geen winnaar maar zegt hij dat het gelijkspel is — want een willekeurige winnaar ziet er op het scherm net zo overtuigd uit als een echte. Een lege week wordt niet verstopt: dan staat er gewoon dat er nog niets gevonden is, zonder verwijt.
En er is een spel bij dat op geen enkel ander lijkt: Het geheime natuurpad. Zes posten, bij elke post een raadsel, en pas als je weet wélke soort er beschreven wordt mag je door. Het bijzondere zit in wat er niet gebeurt: er is geen enkele aanwijzing geschreven. Elke zin stond al in de soortengids die een mens heeft nagekeken — er is er niet één bij bedacht. Dat maakt het kiezen lastiger dan het schrijven: bij 26 van de 157 soorten staat de naam in zijn eigen tip (“herken ’m aan de oranje borst”), en die vallen af. Ook een zin die vooral een wáárschuwing is doet niet mee: die hoort gelezen te worden, niet geraden. Mis tikken kost niets — er staat geen klok en geen “fout”, alleen “lees de aanwijzing nog eens”. En hetzelfde pad is voor de hele klas hetzelfde, zodat je samen kunt lopen.
En de kaart zegt sinds kort twee dingen eerlijker. De grootte staat er in echte centimeters — "20 tot 30 cm lang (kop en romp, zonder staart)" in plaats van een score van 1 tot 10. Het verschil is principieel: snelheid en kracht ZÍJN spelgetallen, die bestaan alleen in de battle. Grootte is een feit dat je kunt nakijken, en dan hoort er geen verzonnen schaal te staan. Waar een maat bekend is, komt hij uit de Nederlandse Wikipedia met het artikel erbij; staat hij niet in de nagekeken soortengids, dan zegt de kaart dát in plaats van een getal te gokken. En waar de kaart "30 cm" zei terwijl de gids "20 tot 30 cm" zegt, staat nu het volledige bereik. Ook de diergroep staat er weer bij: niet alleen "Geleedpotigen" maar ook "Insecten", want dat is het woord dat een kind gebruikt.
En het plaatje dat je kán delen is nu een foto van je eigen kaart, precies zoals hij op je scherm staat — met de lijst, de versiering en alles erop. Eerst stond er een tweede tekenprogramma achter de deelknop, en dat liep telkens achter op de kaart zelf. Lukt een foto op een oud apparaat niet, dan deelt de app een eenvoudige versie en zegt hij dat erbij. De bronvermelding bij een geleende gidsfoto staat er nog steeds op — dit plaatje is het enige dat de app zelf naar buiten stuurt, en er komt nooit een naam, klas of school op: ook niet de naam van wie een gouden vondst ontdekte, al staat die in de klas wel op de kaart.
Daarnaast zijn er nu Raadselkaarten, en ze werken in precies de omgekeerde volgorde van wat je zou verwachten: eerst het raadsel, dan het antwoord, en pás daarna de foto. Vijf kaarten, elke kaart één zin uit de nagekeken soortengids — weer niets bij geschreven — en vier knoppen uit dezelfde groep, zodat je de zin ook echt moet lézen in plaats van te zien dat er één vogel tussen drie bomen staat. Heb je het goed, dan draait de kaart om en staat er een echte foto van die soort, met de fotograaf en de licentie eronder. Wáárom de foto pas daarna komt: zet je hem ervoor, dan valt er niets meer te raden. Mis tikken kost ook hier niets; er staat alleen “lees het raadsel nog eens”. Van onze 157 soorten hebben er 136 zówel een eerlijke raadselzin als een rechtenvrije foto, dus de stapel raakt niet leeg — en zonder internet komt de soortnaam er nog steeds bij te staan, met de melding dat de foto niet geladen kon worden in plaats van een leeg vak.
Het weerstation houdt sinds kort niet op bij het lijstje: het weer dat een kind aantikt is nu ook te zien in zijn eigen reservaat. Bij zon staat er warm licht boven het eiland en drijft er één trage wolk; bij regen een grijsblauwe sluier met vallende druppels; bij kou een bleke waas. En bij wind gebeurt er met de kleur juist niets — wind zie je aan beweging, en de wolken jagen dan over. Een grijze lucht zou “bewolkt” zeggen, en dat is iets anders dan wat het kind buiten zag. Het weer verandert alleen de sfeer: er komt geen soort bij en er verdwijnt er geen, want dat zou een bewering over dat dier zijn. Een school die het niet wil, zet het uit in het beheerpaneel — het reservaat blijft dan gewoon staan.
En er is een plek bijgekomen om naar je eigen vondsten te kíjken: het mini-natuurmuseum. Vijf zalen, vijf vitrines, en het kind bepaalt zelf welk thema, welke vijf van zijn eigen kaarten en in welke volgorde — een verzameling toont álles, een tentoonstelling is een keuze. Zelf een titel typen kan bewust niet: vrije tekst van een kind die daarna op het digibord van de klas komt is een moderatievraag, en die willen we eerst kunnen beantwoorden. Op het bordje staat daarom het weetje dat er al stond, uit de soortengids die een mens heeft nagekeken. De zaal “Kleiner dan 5 centimeter” laat overigens geen pissebed toe — in de soortengids die een mens heeft nagekeken staat van hem geen maat, en dan hoort de app er ook geen te beweren. Haal je een kaart uit je verzameling, dan blijft de vitrine staan met de reden erbij, en er komt geen score of compliment bij: het is een tentoonstelling, geen toets.